In Oost-Barta’a op de Westelijke Jordaanoever sloopt Israël flatgebouwen en waterreservoirs van Palestijnen. Boeren kunnen niet meer op hun land, bouwprojecten liggen stil. De bezetting wordt almaar agressiever.
Simone Korkus beeld Eyal Warshavsky, 19 augustus 2026 – verschenen in de Groene Amsterdammer nr. 34. Hier volgt een uittreksel
... tot 1949 was Barta’a één dorp met één gemeenschap. Daar kwam abrupt een einde aan na Israëls Onafhankelijkheidsoorlog. Volgens de overlevering trok een van de onderhandelaars, tijdens het overleg tussen Israël en Jordanië over een wapenstilstand, met een groene viltstift een lijn over de landkaart. Niet voor niets werd die later bekend als de Groene Lijn. De lijn, die nog altijd geldt als de grens tussen Israël en de Westoever, loopt dwars door Barta’a.
Met één pennenstreek veranderde het dorp van de ene op de andere dag in een historisch oxymoron: West-Barta’a kwam in Israël te liggen, Oost-Barta’a op de Westelijke Jordaanoever – een permanente tijdelijke situatie, die gezinnen verscheurde en geliefden scheidde. Eerst was het onder Jordaans bestuur, maar na de Zesdaagse Oorlog van 1967 bezette Israël de Westoever en daarmee Oost-Barta’a. Israël had het dorp kunnen herenigen door Oost-Barta’a bij West-Barta’a te voegen, maar besloot de status quo en daarmee de grenslijn te handhaven. Zo’n kwart eeuw later, met de ondertekening van de Oslo-akkoorden, werd de situatie nog gecompliceerder. De bezette Westoever werd verdeeld in drie zones. Gebied A, waar de meeste grote Palestijnse steden liggen, kwam onder Palestijns bestuur. Gebied B kreeg Palestijns civiel bestuur, maar bleef onder Israëlische veiligheidscontrole. Gebied C, ongeveer zestig procent van de Westelijke Jordaanoever, bleef volledig onder Israëlische civiele en militaire controle.
Oost-Barta’a ligt in Gebied C en dat heeft consequenties. De inwoners zijn voor vrijwel alles afhankelijk van het Israëlische civiele bestuur op de Westoever: bouwvergunningen, infrastructuur en iedere ruimtelijke ontwikkeling. West-Barta’a is een Israëlische gemeente en krijgt zijn voorzieningen uit Israël. De bewoners uit Oost-Barta’a mogen Israël niet vrij in. Als ze in West-Barta’a betrapt worden, krijgen ze hoge boetes en riskeren ze detentie. De Kabha-leden uit Israëlisch Barta’a kunnen vrij reizen, terwijl de meeste mensen uit Oost-Barta’a nog nooit de zee hebben gezien die op een steenworp afstand ligt.
De situatie is zo onoverzichtelijk en onduidelijk dat we onderweg constant vragen of we nu in Israël of op de Westoever zitten.
‘Dit is nog niet het allerergste’, zegt Najwa. ‘Israël maakte het leven voor de dorpelingen tot een hel toen het aan het begin van het millennium de afscheidingsmuur bouwde. Bij Oost-Barta’a werd die muur niet op de Groene Lijn gebouwd, maar ongeveer een kilometer ten oosten van het dorp.’ De gevolgen zijn desastreus. De mensen hier leven in een grote gevangenis, ingeklemd tussen de muur, twee zich snel uitbreidende joodse nederzettingen en het Israëlische Barta’a. Er heerste angst en onzekerheid over de toekomst.
Bron: de Groene Amsterdammer