Skip to main content

Dertig jaar geleden ontwierp Robert Kalina de bankbiljetten voor een continent dat dacht dat de geschiedenis voorbij was. Hij bedacht ramen en bruggen die niet bestonden, zeker geen nationale helden. Nu mogen alle Europeanen op het ontwerp stemmen.

Coen van de Ven, 26 augustus 2026 – Groene Amsterdammer nr. 35

Presentatie van de ontwerpvoorstellen voor de nieuwe eurobankbiljetten door Christine Lagarde, juli © Felix Schmitt 

In een rozentuin aan de rand van Wenen, waar glooiende heuvels de Alpen al aankondigen, zit Robert Kalina met een kan limonade te wachten. De bescheiden – haast verlegen – man is een wereldberoemde tekenaar die niemand kent: de ontwerper van het meest tastbare symbool dat de Europese Unie heeft. Wie nu al lezend zijn portemonnee zou pakken, kan de eurobiljetten bestuderen die de 73-jarige Oostenrijker tekende.

Kalina ontwierp in de eerste maanden van 1996 bruggen en gebouwen met ramen die nergens ter wereld bestonden. Op het eerste gezamenlijke geld mochten geen grote bouwwerken verrijzen zoals het Colosseum, de Eiffeltoren of de Sagrada Familia. Maar ook geen Erasmus, Marie Curie, Da Vinci of Simone de Beauvoir. Het was, kortom, een dappere oefening in het verbeelden van niets.

‘In hun laffe nietszeggendheid zijn de eurobiljetten welsprekend’, sneerde politiek filosoof Luuk van Middelaar in 2021 eens in een column. Hij zag in het euro-ontwerp het schoolvoorbeeld van een continent dat zich bewust van de geschiedenis afkeerde en wegdook voor de belangrijke opdracht om iets gezamenlijks te verbeelden.

‘Ik moest nou eenmaal op zoek naar de kleinste gemene deler’, zegt Kalina in zijn tuin, wanneer ik hem daar in de zomer van 2020 samen met een Belgische en een Pools-Duitse journalist opzoek voor een artikel over de toekomst van de Europese identiteit. ‘Er waren enorm veel restricties en regeltjes die in een dik boek stonden.’ Wie het boekwerk openslaat dat de Europese Centrale Bank liet maken tijdens de ‘euro banknote design exhibition’ komt inderdaad zinnen en eisen tegen die even knellend als vaag zijn. ‘De biljetten moeten duidelijk herkenbaar zijn als Europees, en een culturele en politieke boodschap uitdragen die voor alle Europese burgers gemakkelijk aanvaardbaar is.’

Het waren de woorden van de Nederlandse sociaal-democraat Wim Duisenberg die in de jaren negentig als toenmalige directeur van de Europese Centrale Bank de ontwerpwedstrijd had uitgeschreven. Geen land mocht zichzelf erin herkennen en portretten van bekende Europeanen waren uit den boze. ‘Onze bankbiljetten vertegenwoordigen waarden waaraan alle Europeanen diep gehecht zijn, in het bijzonder openheid en samenwerking tussen onze landen en tussen Europa en de rest van de wereld.’

De nieuwe Europese droom mocht niet worden gekaapt door nationale trots. Het schrikbeeld was een splijtende discussie tussen lidstaten, over wiens monumentale bouwwerk op het biljet van vijfhonderd euro mocht komen. Of wat op het vaakst gebruikte briefje van vijf euro moest komen. Dus bedacht de ecb een list. Elk bankbiljet dat werd ingediend in de categorie ‘Europese eeuwen en stijlen’ moest een Europese bouwperiode verbeelden die in grote delen van het continent terug te vinden is: klassiek (5 euro), romaans (10 euro), gotisch (20 euro), renaissancistisch (50 euro), barok (100 euro), modern (200 euro) om met het vijfhonderdeurobiljet in het heden te eindigen. Wie dat felbegeerde laatste roze biljet nu door zijn vingers zou laten gaan, kan er de zielloze architectuur van de Brusselse EU-gebouwen in ontwaren.

Verspreid over heel Europa deden geldontwerpers mee. 44 tekeningen werden naar Frankfurt opgestuurd. ‘De enige eis die ze stelden om mee te doen was dat je al eens eerder geld had ontworpen’, zegt Kalina grijnzend in zijn tuin. ‘Ik was de enige persoon in Oostenrijk die dat had gedaan dus konden ze alleen maar uitkomen bij mij.’ Hij had eerder ook het Maleisische briefgeld ontworpen en al jarenlang werkte hij als vaste ontwerper bij de Oostenrijkse Centrale Bank. Hij kon onmogelijk weigeren en wilde dat ook niet. ‘Dit maak je één keer in leven mee: de eerste serie van een nieuwe valuta ontwerpen.’

Al jaren volgde Kalina van op een afstandje de discussie over het gemeenschappelijk geld, die zich stilletjes was beginnen te ontspinnen. Hij zag hoe in 1995 in Madrid het woord ‘euro’ was gekozen en hoe comités met vertegenwoordigers uit alle landen eindeloos bij elkaar kropen om te bakkeleien over vereisten waar iedereen zich in kon vinden.

Zo vonden de Engelsen – toen nog betrokken bij de ontwikkeling van de euro – dat de Queen altijd afgebeeld moest worden en voerden zij een lobby aan om per land een eigen ontwerp toe te staan. Eén zijde zou dan gemeenschappelijk zijn en de andere zijde nationaal. ‘Net als bij de munten’, zegt Kalina, om daar opvallend stellig aan toe te voegen: ‘Gelukkig hebben ze dat losgelaten. Óf je kiest voor gezamenlijk geld, of je doet het niet.’

Bedoeld of onbedoeld verwoordt Kalina daarmee een sentiment dat typisch was voor de jaren negentig en dat nu klinkt als een echo uit een ver verleden. De euro was voor iedereen, van iedereen en ontdaan van elke herinnering aan oude pijn en nationalistische trots. Je zou kunnen zeggen, vrij naar Van Middelaar, dat met het ontwerpen van de euro een continent zich afsneed van zijn geschiedenis. Maar je zou er ook juist de verbeelding van een gezamenlijk optimisme in kunnen herkennen. Ze passen bij een plek waar alles kon en openlag – een continent dat een nieuw hoofdstuk wilde schrijven op een leeg vel papier.

Lees meer.

Bron: de Groene Amsterdammer

x

Please add some content in Animated Sidebar block region. For more information please refer to this tutorial page:

Add content in animated sidebar